3.3.26

Babylon

Preluce 

Ik fietste achter een man die ik al vaker op de fiets tegen was gekomen. We zouden zeggen "een man met een verstandelijke beperking". Een wat oudere man, altijd kleurrijk gekleed en nooit een fiets zonder speciale bepakking. Nooit stil, altijd wel hardop aan het praten of zingen, grote kans op een hartelijke en luide begroeting met een even zo grote kans om een gesprek aangeboden te krijgen.

Luce

De man zingt enthousiast "By The Rivers of Babylon". Een gemoedelijke, zo niet gezapige, meezinger. Plots verrast de man me door ongemeen fel, met priemende in de lucht gestoken wijsvinger, een passage uit het nummer te zingen op een manier waar de emotie vanaf druipt (frustratie? woede? agressie?). Dit duurt maar enkele seconden, maar genoeg om me wakker te schudden, van mijn stuk, op mijn plaats gezet.

Een liedje, een werkdoel, een visie, een levensfilosofie: het maakt niet uit waar je het in stopt, ieder heeft dezelfde basale emoties, drijfveren, gevoelens. Dingen die geuit moeten worden, die kunnen branden, smeulen in je binnenste. Die in een vorm gegoten moeten worden om eruit gegooid te kunnen worden - je kunt het niet meer zomaar direct, je bent dat verleerd. Neem daarom die vorm niet te serieus. Als je denkt dat de passie die je ergens in stopt (je werk?) betekenisvoller, méér, échter is dan iemand die er iets uit gooit op een in jouw ogen knullige wijze, dan luister je al minder naar de wereld. Dan zie je jezelf ook niet meer voor wat je bent. Net als iedereen. Op zoek naar een manier om volledig tot bloei te komen. Tegen de werkelijkheid botsend met alle structuren in je hoofd.

Ik begrijp, voel, nu voor het eerst de waarheid van psychologische ideeën rond algemene, eerder in mijn oren platgeslagen klinkende termen als doodsdrift. We zijn allemaal precies die basale zaken. Dat is wat ons verbindt. Wat ons scheidt, is het constante bouwen aan een geordende werkelijkheid in ons hoofd. Een strijd die we vanaf de geboorte aangaan met de wereld: we willen haar "vatten", en door dit te willen, duwen we haar weg achter definities, kaders, in lades, hokjes. Dus de man die vanuit zijn tenen zingt staat dichter bij de kern dan de man die zich stuk bijt op logistieke processen alsof de wereld ervan af hangt.

We vinden wat van onszelf ten opzichte van de ander. Ik vind dit ook. Maar ik wil het niet. Ik wil het spel niet langer zo spelen. Het kan een mooi spel zijn. Dat deel wil ik spelen. Maar als het erop aankomt, wil ik zijn met alles en iedereen tegelijk. Me onverbreekbaar verbonden voelen. Niet oordelen, slechts observeren, ervaren en de ervaring terugkoppelen aan de ander. Verrast worden, lachen met de ander en om jezelf.

Het spel spelen en het spel beëindigen.